Het Koloniaal Werfdepot

Binnenplaats van het Koloniaal Werfdepot Inleiding

Tijdens het doorzoeken van de Militieregisters zag ik bij enkele familieleden dat ze zich als vrijwilliger hadden aangemeld bij het 'Koloniaal Werfdepot'. Wat was dit depot en waarom was het aantrekkelijk om zich daar aan te melden? Nieuwsgierig geworden naar dit onderwerp kwam ik interessante informatie tegen.

Het Koloniaal Werfdepot te Harderwijk was van 1814 tot 1909 het belangrijkste werfdepot voor het Oost-Indisch Leger (later Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger). Van 1815 tot 1910 vertrokken bijna 150.000 militairen vanuit Harderwijk om plaats te nemen in het Oost-indische leger. Dit leger moest het Nederlands gezag in de kolonie IndiŽ handhaven. De militairen werden getraind in het voormalige Muntgebouw in Harderwijk, dat vanaf 1844 'Koloniaal Werfdepot' heette. De recruten werden geworven onder 'gewone', maar ook onder gestrafte militairen, gevangenen, bedelaars en deserteurs uit vreemde legers. Ook meldden buitenlanders zich aan zoals de beroemde Franse dichter Arthur Rimbaud. Het leger in Nederlands-IndiŽ had weinig plezier van Rimbaud, hij deserteerde al na een week of drie. De Duitser Franz Wilhelm Junghuhn (1809-1864) vertrok in juni 1835 uit Harderwijk als gezondheidsofficier. In IndiŽ ontwikkelde hij zich tot een van de belangrijkste negentiende-eeuwse natuuronderzoekers. Ten slotte Hendrik Colijn (1869-1944), diverse keren minister-president, die ook zijn koloniale opleiding in Harderwijk kreeg.

Elke nieuwe rekruut kreeg na het tekenen van het contract een flink geldbedrag. Ook werd een pensioen in het vooruitzicht gesteld, dit bij minimaal 12 jaar dienst. Harderwijker winkeliers, hotelhouders, kroegbazen en bordeelhouders beleefden gouden tijden. De kolonialen, wachtend op verscheping naar de koloniŽn, bleven tussen de 5 en 25 weken in de stad en gaven hun handgeld grotendeels uit in dranklokalen en bordelen. Regelmatig ontstonden er vechtpartijen. Harderwijk kreeg een slechte reputatie en raakt internationaal bekend als 'het gootgat van Europa'. Een nieuwe regeling, in 1855 getroffen, om het handgeld pas aan het eind van het verblijf in IndiŽ uit te betalen, roept een storm van protest op onder de Harderwijker middenstand. In 1909 komt een einde aan het Koloniaal Werfdepot in Harderwijk.

Geschiedenis

Het Koloniaal Werfdepot te Harderwijk was het legeronderdeel dat in Nederland rekruten aanwierf en voorbereidde op de dienst bij het leger in de koloniŽn. Van 1815-1822 heette dit legeronderdeel het Depot-Bataljon en in de periode 1822-1843 het Algemeen Depot van de Landmacht. Vanaf 1843 heette het depot het Koloniaal Werfdepot. Het Werfdepot viel onder het Ministerie van Oorlog. Waren de rekruten eenmaal aan boord van het schip dat hen naar de Oost zou brengen, dan vielen zij onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van KoloniŽn. Vůůr 1830 ressorteerden de koloniale troepen formeel onder het Ministerie van Oorlog, nŠ 1830 was er sprake van een apart leger, dat viel onder het Ministerie van KoloniŽn. De Landmacht was namelijk een zogeheten kadermilitieleger, samengesteld uit zowel beroepsmilitairen als dienstplichtigen. De grondwet verbood echter de uitzending van dienstplichtigen naar de koloniŽn, de overzeese krijgsmacht was en bleef dus een beroepsleger, samengesteld uit Europese en inheemse troepen onder aanvoering van merendeels Europese officieren. Weliswaar werd in 1918 de dienstplicht voor Europeanen (en de daarmee gelijkgestelde Indo-Europeanen) in Nederlandsch-IndiŽ ingevoerd, maar het aandeel van de miliciens bleef beperkt tot slechts enkele procenten van de totale legersterkte.

Affiche dienstneming voor Oost-Indie 1894 Affiche dienstneming voor Oost-Indie 1912


Opleiding

Te Harderwijk kon men intekenen voor een vaste dienstperiode in IndiŽ. In het depot werden de soldaten in ongeveer zes weken klaargestoomd voor deze dienst. Eenmaal gereed met hun opleiding vertrokken de militairen meestal in detachementsverband onder leiding van een officier per trein naar Rotterdam of Amsterdam, of per tjalk naar het Nieuwe Diep, voor inscheping naar IndiŽ. Voor hun vertrek werd te Harderwijk vaak nog als souvenir voor de familie een portretfoto gemaakt met teksten als Tot Weerziens of Naar IndiŽ. Bijna 150.000 soldaten vonden hun weg van Harderwijk naar IndiŽ. Veel van hen zouden ten gevolge van ziektes, oorlogshandelingen of inburgering in de Indische maatschappij nooit meer terugkeren naar Europa.

Riool van Europa

Harderwijk had van het begin af een slechte reputatie: het Ďgootgat of riool van Europaí werd het genoemd, waar maatschappelijke verschoppelingen uit alle windstreken in minder dan geen tijd hun handgeld er doorheen joegen. En dan ging het, zeker in periodes waarin er grote behoefte aan vrijwilligers was (bijvoorbeeld tijdens de Atjehoorlog), niet om kleine bedragen. In 1870 was het handgeld opgelopen tot
É 300,- in die tijd het jaarsalaris van een arbeider. Het waren gouden tijden voor kroegen en bordelen, maar een gruwel in de ogen van de overwegend streng-christelijke inwoners van Harderwijk. Ook al omdat een niet onaanzienlijk deel van de rekruten uit buitenlanders bestond, met name Belgen, Duitsers, Zwitsers en Fransen. Vooral in de begintijd leek het Indisch leger wel een vreemdelingenlegioen: Franse deserteurs, Duitse ex-officieren, Zwitserse soldaten die nog gevochten hadden in de Krimoorlog. Maar ook Nederlandse soldaten uit de strafdivisies van de Landmacht, die konden kiezen tussen de Oost of de provoost (= militaire strafgevangenis), meldden zich aan. Anders dan het Franse vreemdelingenlegioen (opgericht in 1830) moesten de vrijwilligers bij aanmelding wel beschikken over identiteitspapieren en werden ze allemaal nauwkeurig in militaire stamboeken geregistreerd. Ook buiten Nederland waren koloniale wervers actief, want de werving was erg lucratief. In Nederlands-IndiŽ zelf waren ronselpraktijken bij de werving van inheemse rekruten schering en inslag. Het grote percentage buitenlanders in het KNIL (soms tot 60 %) was overigens niet de wens van de regering, maar was wel onvermijdelijk, omdat Nederland te klein was om voldoende mankracht te kunnen leveren voor ťn de landmacht ťn de marine ťn het koloniale leger. De grondwet verbood immers (tot na de Tweede Wereldoorlog) de uitzending van dienstplichtigen naar de koloniŽn.

Opheffing 1909

In de 20e eeuw kreeg de fatsoenering van de koloniale dienst nog duidelijker gestalte. Rond 1910 was de verovering van ook de meest afgelegen buitengewesten in IndiŽ voltooid, die daarmee onder effectief Nederlands gezag gebracht werden. Het vechten was grotendeels gedaan, het KNIL zou tot aan de Tweede Wereldoorlog voornamelijk nog politiediensten uitvoeren. Tegelijkertijd, in 1909, werd het zo vaak beschimpte Koloniaal Werfdepot te Harderwijk opgeheven. Het Korps Koloniale Reserve te Nijmegen bleef als opleidingscentrum voor het KNIL voortbestaan. Vanaf 1914 waren daar uitsluitend nog Nederlandse vrijwilligers welkom.

Werfdepot


Verbonden met:

Dirk Bakker (1871-1947)
Petrus Bakker (1875-1928)
Cornelis Bakker (1882-1949)