't Vliegend Hert

Al van jongs af aan heb ik een fascinatie gehad voor geschiedenis, vooral de verhalen over de periode van Nederland in de Gouden Eeuw en de VOC hebben altijd tot mijn verbeelding gesproken. Door de jaren heen heb ik van alles verzameld wat ook maar oud is, en zo heb ik dus ook een bescheiden muntenverzameling uit die periode aangelegt. En van mijn favorieten is deze Zilveren Rijder ofwel Ducaton uit 1733, een munt met een interessant verhaal.
De munt is afkomstig uit het wrak van 't Vliegend Hert, een handelsschip van de VOC welke in 1735 voor de kust van Walcheren is vergaan.



Het schip

't Vliegend Hert was een spiegelretourschip van de VOC met een lengte van 40 meter en een breedte van 10 meter, laadvermogen 850 ton en zwaar bewapend met ongeveer 42 kanonnen, waarvan 8 in brons, 6 wartelkanonnen en 2 zesponders. De hoogte van de waterlijn tot het dek was ongeveer 6 meter en van kiel tot het hoogste punt in de middelste mast ongeveer 40 meter.

Het schip liep op 5 mei 1729 in Middelburg van stapel voor de Kamer van Zeeland van de Verenigde Oostindische Compagnie en vertrok op 11 december 1730 voor een zeven maanden durende eerste reis naar Batavia in Nederlands Indie. Na haar handelsreis in Aziatische wateren keerde ze in augustus van het jaar 1734 terug in Zeeland. Daarna werd ze hersteld en voorbereid voor haar tweede reis naar Batavia, via Kaap de Goede Hoop, als onderdeel van de zogenoemde Kerstmis-vloot van 1734-35. Op 3 februari 1735 verliet ze de rede van Rammekens op weg naar Het Kanaal. Aan boord waren in totaal 256 personen, waarvan 167 zeelieden, 83 soldaten en 6 passagiers. De lading bestond uit hout, stenen, ijzer, buskruit en andere handelswaar, en goud en zilver Compagniesgeld voor in Indie. Met een waarde van 67.000 gulden (huidige waarde 250.000) was het een relatief klein bedrag aan geld, vergeleken met de soms enorme sommen van andere handelsschepen.


De schipbreuk van 't Vliegend Hert

Op 3 februari 1735 om 14.00 uur in de middag verliet 't Vliegend Hert, in gezelschap van een kleiner schip de Anna Catharina, de rede van Rammekens, vlakbij de havenstad Vlissingen in Zeeland aan de monding van de Westerschelde. Vanwege een sterke noordooster wind kreeg schipper Willem Gerbrantsz van de loodsboot Mercurius orders om de twee schepen door de zandbanken van het smalle en verraderlijke Deurloo naar de Noordzee te loodsen en ze te vergezellen tot het eiland Wight. Van daaruit zouden de twee schepen hun reis naar Nederlands Indie voortzetten. Drie uur later, om 17.00 uur, liep de Anna Catharina (uit haar koers geraakt) op de Drempel van de Deurloo. Binnen twee uur was ze door de storm en de woeste golven aan stukken geslagen, de voltallige bemanning van 175 zielen verdronk.

't Vliegend Hert raakte dezelfde zandbank, kwam na vier uur terug vlot door het opkomende water, maar zonk zoekend naar dieper water om 23.00 uur die avond op de vlakte bij Schooneveld. De bemanning deed alles om het schip en hun levens te redden, maar alle inspanningen waren nutteloos, aangezien het water naar binnen stroomde. Een kwartier later zonk ze, haar kanonnen in nood en ellende afvurend. De loodsboot Mercurius kon niets doen vanwege de storm en de hoge golven zodat die avond iedereen aan boord van de twee ongelukkige schepen omkwam.

Een ooggetuige, de kapitein van een handelsschip nabij, beschreef de droevige aanblik van de doodsstrijd van de twee schepen. Hij zag 30 mensen op het achterdek van 't Vliegend Hert huilend om hulp roepen, een aanblik "met geen drooge oogen om tesien".

Het VOC archief in Middelburg beheert de documenten van de ondervraging van deze tragedie. Op 14 april 1735 werd schipper Willem Gerbrantsz ondervraagt over deze ramp door de heren van de Kamer van Zeeland. Het onderzoek verweet de kapitein slechte loodsing en het nemen van een foute beslissing door in slechte omstandigheden tijdens een gevaarlijk springtij, gecombineerd met een noordooster wind, de rede van Rammekens uit te varen.

ducaton

Fort Rammekens

De schipbreuk

De berging van het wrak

In februari 1979 ontmoette de geroemde Britse wrakduiker Rex Cowan, professor Gunter Schilder van de Universiteit van Utrecht, welke de laatste twee jaar spendeerde aan het onderzoeken van het wrak van 't Vliegend Hert. Hij stuitte bij toeval op een geheim document in de Universiteit van Leiden, gemaakt door de VOC waarop de positie van het wrak nauwkeurig vermeld stond. In de lente van 1979 stelde Rex Cowan een duikteam samen bestaande uit John Rose, een Engelse zakenman en duiker welke het meeste van de financien leverde en de duik- en zoekprocedures aanstuurde, Anthony Lonsdale, een ervaren magnetometer ontwerper en operator, en professor Schilder, welke het historische onderzoek completeerde. Ze werden bijgestaan door Albert Veldkamp, een ervaren piloot en zeeman.

Van 1979 tot eind 1981 onderzocht het team, gebruik makend van opeenvolgende duikersboten met als thuishaven Vlissingen, smalle stroken zee in een rechthoekig gebied, de aanwijzingen volgend van de oude kaart en andere verslagen uit het archief. Moderne technologie werd aangewend, waaronder het beproefde systeem van kruispeiling, omdat werd verwacht dat het wrak zou zijn begraven onder zand en modder. Einde zomer 1981, na drie jaar vol frustratie en onvermijdelijke bijna rampen in de verraderlijke zee, en met de zichtbaarheid van een paar centimeter, werd het wrak ontdekt in het laatste gedeelte van het nog te onderzoeken gebied. Zichtbare gedeeltes van het gebied werden onmiddelijk onderzocht door een team van ervaren duikers, gewend aan het duiken en orienteren met weinig zichtbaarheid. Dit team vond vele voorwerpen, een bronzen kanon en wat munten, het overtuigende bewijs dat 't Vliegent Herd gevonden was.

In 1982 werd een stalen oceaanvaardige catamaran, ontworpen en gebouwd voor John Rose als een bijzonder duikplatform, uitgerust met een luchtlift en een grote zuigpomp, om het zand en modder wat het wrak bedekte weg te zuigen.

Het werk was verre van probleemloos. Afgezien van de slechte zichtbaarheid onder water en de sterke getijdestromen, was het wrak bedekt met oude vissersnetten, hard geworden door de eeuwen heen, klaar om de onoplettende duiker te verrassen. En aangezien scheepswrakken bekend staan dat ze kostbare materialen bevatten, zijn ze altijd kwetsbaar voor verstoring en diefstal. In verscheidene gevallen toonden waarnemingen op de zeebodem aan dat kanonnen verplaatst of vermist waren, dat rijen baren lood door elkaar op een hoop waren gegooid en markeer-boeien doorgesneden. Metalen roosters waren opengereten door vissersboten en houten balken gebroken. Side-scan sonar liet duidelijke sleepnet sporen zien nabij het wrak en het werd duidelijk dat de plaats opzettelijk werd verstoord door zowel vissersboten als onafhankelijke duikers.

Toch, ondanks deze en vele andere problemen, zijn veel belangrijke historische vondsten van 't Vliegend Hert door de jaren heen bovengehaald. Zwaardbladen, complete kleipijpen, de resten van een kist met het grootste gedeelte van de oorspronkelijke 176 wijnflessen, losse volle flessen wijn, geweren, stenen, een vat haring, koperen navigatiepassers, een koperen franse hoorn, zeldzame chinese botergewichtjes, tinnen tafel- en kookgereedschap, een ton met spijkers, de resten van leer en stoffen en verscheidend meubilair van het schip, als ook veel interessante persoonlijke bezittingen van de bemanning, soldaten en passagiers die op deze tragische dag aan boord waren.


In 1983 was n van de drie kisten met Compagniesgeld gevonden, nog steeds gesloten en met de inhoud en verpakking intact, een unieke en buitengewone vondst. De deksel van deze unieke vondst werd voorzichtig opgelicht om te ontdekken dat de inhoud was verpakt in langwerpige turfblokken. Het verwijderen en het registreren van de inhoud in het laboratorium duurde twee dagen. De kist bevatte duizenden zilveren "Pieces of Eight" gemunt in Mexico-City. Deze munten, bekend als cobs, met de waarde van 8 Reales, waren ruw geslagen in vele vormen naar het gewicht corresponderend met de zilverwaarde. Ook in de kist waren 2000 gouden dukaten, gemunt in Holland en allemaal gedateerd 1729. Deze munten waren in een mint conditie, ongecirculeerd en speciaal gemunt voor de exporthandel in Oost-Indie. In 1990 werden een aantal kleine kisten met zilveren Dukatons gevonden, allen van verschillende vorm. Aangezien export van deze munten verboden was, moeten deze Dukatons (velen mint en ongecirculeerd) aan boord gesmokkeld zijn door een senior-officier of een ambtenaar, voor verkoop in Oost-Indie. Opvallend is dat n van de passagiers van 't Vliegend Hert, Meester Jan Douw, lid was van de Raad van Justitie van de VOC. Hij moet ongetwijfeld geweten hebben van de kisten smokkelwaar. Hoewel deze smokkelpraktijk, die serieuze invloed op de VOC handel had, bekend was uit de officiele documenten van de VOC, is er nooit zo'n essentieel materialistisch bewijs van deze illegale handel geweest.

Alle vondsten gedaan van de zeebodem rond de resten van 't Vliegend Hert zijn nauwkeurig onderzocht, geconserveerd en gecatalogiseerd en het grootste gedeelte van deze vondsten bevindt zich nu in het Nationaal Maritiem Museum en het Rijksmuseum in Amsterdam, in het Gemeentelijk Museum in Vlissingen en in het Geldmuseum in Utrecht.
Kist met Ducatons


Smokkel naar de Oost

Het leven aan boord op de negen maanden lange reis tussen Holland en Indie was vaak zwaar, wreed en karig. Ziektes, vooral scheurbuik, schipbreuk en piraten maakten het leven niet makkelijk op de donkere, vochtige en vieze schepen. Het loon was niet hoog, dus het was niet verrassend dat zeevaarders probeerden om hun inkomen te verhogen door illegale handel in goederen en geld.

Het smokkelen van geld, in het bijzonder Ducatons ofwel Zilveren Rijders (naar de afbeelding van een ridder op een paard), was zeer winstgevend. De aankoopwaarde van een Ducaton in Nederland in het begin van de 18e eeuw was 66 stuivers, een waarde die nogal verschilde van de waarde in Indie, aangezien de kassier van de VOC in Batavia voor dezelfde Ducaton 75 stuivers betaalde. Dus de smokkelaars speelden dit wisselkoers spel, zonder handelsrisico, tenzij ze gepakt werden. In Batavia konden de Zilveren Rijders ook ingewisseld worden voor cheques "on Patria", op welke de VOC 4% rente betaalde voor compensatie voor de tijd van ontvangst van de rekening en de actuele betaling in Holland. Het was een uitnodiging voor corruptie.

Deze levendige handel was welbekend bij de ambtenaren van de VOC, waarvan enkelen zelf zo hun zakken vulden. De Zilveren Rijders werden verpakt in kleine houten of metalen kistjes om zo niet op te vallen of de interesse te wekken van de scheepsofficieren. Het onwettig dragen van geld was officieel verboden door de VOC, maar geen bemanningslid, hetzij van hoge rang of normaal, kon de drang van het makkelijk geld verdienen weerstaan. Velen handelden als koeriers voor koopmannen uit Holland, welke hun collega's in Batavia van de verboden munten voorzagen.

In de archieven van de VOC zijn documenten welke deze smokkelpraktijken bewijzen. De Oostindie-vaarder Hillegom leed in 1736 schipbreuk even buiten de Hollandse kust bij het eiland Texel. Alhoewel er volgens de officiele documenten geen geld aan boord was, zijn er tijdens de berging door de VOC meer dan 4.000 Zilveren Rijders met een totale waarde van 13.000 gulden geborgen. Meest van deze Ducatons zaten verpakt in tinnen bussen met de namen of initialen erop van de geadresseerde in Batavia. De zeelui die schipbreuk leden met de Zeewijk in 1727 op de Australische kust en het lukte om met een zelfgebouwd vaartuig in Batavia te komen, droegen bijna allemaal gesmokkelde Ducatons bij zich toen ze bij aankomst werden gecontroleerd, verpakt in zakdoeken en kleine zakjes, of verstopt in schoenen, jassen, hemden en riemen. De VOC probeerde de smokkel te stoppen door speciale VOC-ducatons te maken, maar hun pogingen waren vergeefs en de illegale handel bloeide op, een serieuze invloed hebbend op het handelsfortuin van de VOC.

Meer informatie:
Voc schip

Ducatons